|
Hotel
op Kreta
Vliegen naar Chíos
SNP Reizen in Griekenland

|
|

Vier grote bergketens bepalen voor een groot deel het
landschappelijke karakter van het eiland. In het westen liggen de Lefká Óri (Lefkágebergte of 'witte bergen'), met veel toppen boven
de 2000 m en als hoogste punt de Páchnes (2453 m).
Langs de zuidkust wordt het woeste gebergte doorsneden door diepe
kloven, waarvan de Samariákloof de bekendste is. In het midden ligt
de woeste bergketen Ídi Óros (Ídigebergte), met de Psilorítis als
hoogste top. Ten oosten van dit gebergte ligt de Díkti Óri (Díktigebergte)
met als hoogste top de Díkti(2148 m). De Lasíthihoogvlakte (900 m)
wordt door dit woeste gebergte omsloten. Nog verder naar het oosten
verheffen zich de Óri Sitías(Sitíagebergte) met de Aféndis (1478 m)
als hoogste top. Minder groot in omvang is het Kófinasgebergte dat
de Messarávlakte scheidt van de zuidkust.
De Messarávlakte is de grootste laagvlakte op het eiland,
zo'n 60 km lang en met een gemiddelde breedte van 5 km. De vlakte
heeft een rijke geschiedenis en is nu een van de belangrijkste
landbouwgebieden van het eiland. Behalve de al eerder genoemde
Lasíthivlakte zijn er nog andere hoogvlaktes: de Omalósvlakte (1100
m) in het westen, de Askífouvlakte (ten noorden van Sfakiá, 750 m)
en de Nídavlakte (1300 m) ten oosten van het Ídigebergte.
De noordkust van Kreta is heuvelachtig met veel baaien en stranden.
De zuidkust heeft een veel grilliger aanzien; de bergen storten zich
hier als het ware de zee in. Bevaarbare rivieren kent het eiland
niet. De Keritis (ten westen van Chaniá), de Milopótamos (tussen
Iráklio en Réthimno) en de Geropótamos (Messarávlakte) zijn de
grootste rivieren. In de zomermaanden staan ze vrijwel droog,
hetgeen niet alleen te wijten is aan het warme klimaat. Kreta
bestaat voor een groot deel uit kalk. Dit poreuze gesteente laat
gemakkelijk water door, wat leidt tot zogenaamde karstverschijnselen.
Het water lost de kalk op en zo kunnen er grotten, onderaardse
rivieren en meren ontstaan
De
Samariakloof, 36 km ten zuiden van Chania, is opengesteld van 1 mei tot
16 oktober (in beperktere mate vanaf 10 april en tot 31 oktober). Ook
in deze uithoek laat de Europese Unie van zich horen.
In 1980 werd de
kloof, die in 1962 al de status van nationaal park had gekregen, door
de Europese Commissie uitgeroepen tot vogelreservaat. Daarmee is het
recente oorlogsverleden in de Europese euforie gesmoord. In 1944
vluchtte de Griekse koning met zijn gevolg, waaronder de
minister-president TsoudJros, voor de Duitsers door de kloof om zich in
Ag. RoumJli op een Brits oorlogsschip in te schepen naar Egypte. Maar
dat is allemaal geschiedenis; ook de Duitsers behoren inmiddels tot de
meest geziene toeristen op Kreta.
De tocht door de kloof is geen zondagmiddagwandeling. Goed schoeisel en
een redelijke conditie zijn vereist om er tot de laatste kilometer
plezier aan te kunnen beleven. Legio zijn de voorbeelden van gebroken
benen, verzwikte enkels en hartaanvallen bij mensen die te lichtvaardig
over de tocht dachten. In het voorjaar is het water dat door de kloof
stroomt ijskoud en de voeten kunnen dan niet droog worden gehouden. 's
Zomers is het er heet, windstil en zonder schaduw; een hoofddeksel is
dan een eerste vereiste. De lengte van de wandeltocht is 18 km. Bij een
gemiddeld wandeltempo en met regelmatige pauzes duurt de tocht in
bergafwaartse richting (van Xiloskalo naar de kust) ongeveer zes uur.
Het pad is oneffen, dus stevige schoenen zijn zeer belangrijk. Aan het
begin (Omalos, Xiloskalo) kan eten ingekocht worden, onderweg is niets
meer te krijgen. Wel is er onderweg goed water te halen uit bronnen en
beekjes. Het begin van de afdaling is bureaucratisch gemarkeerd: een
houten kassa waar een kaartje gekocht moet worden. Goed bewaren, want
aan het eind van de kloof wordt het gecontroleerd; een regeling die
enige jaren geleden is ingevoerd, omdat er iemand was verongelukt. Nu
kan men zien of er wandelaars zijn achtergebleven.
|
-
|